De Morgenster bloeit van mei tot juni en juli, met een prachtige gele bloem aan het eind van een hoog opgerichte stengel. De bloemen openen ’s ochtends om iets na de middag weer dicht te gaan.
Het blad van de plant is smal en lang, is stengelomvattend en eindigt in een lange punt. De plant is tweejarig en we vinden ze op vochtige plaatsen, grasland en wegen.
De wortel is dik, bruin en penvormig en als je erin kerft komt er een wit melkachtig sap uit.
Na de bloei komen de vruchtjes : dit zijn kleine bruine nootjes die aan een vruchtpluis vastzitten en door de wind worden meegenomen en verspreid.
De plant was zonder twijfel al gekend in de Oudheid. De naam Tragopogon komt immers van de samentrekking van twee Griekse woorden : tragos : geit en pogon : baard en betekent dus zoveel als geitenbaard, een naam die voor deze plant soms ook in het Nederlands wordt gebruikt : Boksbaard evenals in het Engels : Goat’s beard, wellicht telkens verwijzend naar de pluizige vruchtzetting.
Het fenomeen dat de bloemen na de middag (en bij overtrokken hemel) dicht gaan, gaf aanleiding tot de leuke Engelse naam :
Jack-go-to-bed-at-noon.
In een gedicht van de Engelse dichter Abraham Cowley (17 de eeuw) wordt dit als volgt vertelt :
“The goat's beard, which each morn abroad doth peep
But shuts its flowers at noon and goes to sleep.”
De wortel is eetbaar en werd vroeger ook als groente gebruikt. Vooral de Tragopogon porrifolius werd daartoe gebruikt. Deze heeft een blauw-paarse bloem en geen gele. In tegenstelling tot de gele Morgenster, die quasi enkel op vochtige gronden voorkomt, vinden we de Tragopogon porrifolius ook op droge grond. De Italianen noemden hem “sassefrica” omdat ze hem vonden op rotsachtige terreinen (saxum of steen of rots in het latijn en fricare dat zoveel als wrijven, aanleunen betekent). De Fransen noemden hem dan “salsefis” en doorheen die benaming is hij bij ons ook als “salzafij” gekend geworden.
Er zijn aanwijzingen dat de teelt van deze plant tot de vijftiende eeuw kan teruggebracht worden.
We kunnen de teelt ervan het best vergelijken met de teelt van schorseneren. De recepten met schorseneren kan je dus toepassen op deze blauwe Morgenster. Het is wel geen leuk werk om de wortels schoon te schrobben, vandaar een andere leuke naam : Keukenmeidenverdriet !
In de middeleeuwen en in de volksgeneeskunde werd de plant gebruikt als bloedzuiverend kruid omwille van de zweetdrijvende en diuretische eigenschappen.
De Engelse botanicus Nicholas Culpeper schrijft dat het sap van de plant een probaat middel is om de gal te reinigen (‘The Complete Herbal’, 1653).
De smaak is ietwat bitter.
De zaden zijn giftig, dus deze niet eten !
|